Dief van de tijd

the-thief-of-time-n

Matthieu Zéla heeft waar iedereen van droomt: hij gaat nooit dood. Hij wordt enkel ouder en ouder. Althans, dat is toch hoe het hem de afgelopen 257 jaar is vergaan.

Geboren in een arm gezin waarvan de vader reeds vroeg stierf en opgezadeld met een halfbroertje wiens verwekker zijn moeder regelmatig een paar meppen verkocht tot ze er op een keer het loodje bij legde, laat de jonge Mathieu het Parijs van halfweg de achttiende eeuw achter zich om voor zichzelf en zijn halfbroertje Tommy een stabieler leven in Engeland te zoeken. Het is het begin van zijn vele omzwervingen tussen het Britse eiland, het continent en de Verenigde Staten. Anno 1999, aan de vooravond van de vierde eeuw die hij ingaat, pent Zéla voor het eerst zijn memoires neer en zo biedt hij een fragmentarische blik op twee en een halve eeuw geschiedenis waarin hij onder andere Robespierre zijn hoofd zag verliezen, fungeerde als pauselijk adviseur, vriendjes werd met Charlie Chaplin en de minnaar was van meer dan honderd vrouwen – misschien nog iets waar menig man hem om benijdt. Op het moment dat hij de pen ter hand neemt, is hij een succesvolle aandeelhouder van een eigen televisiestation. Zijn grootste bezorgdheid gaat echter uit naar Tommy – de zoveelste nazaat van zijn halfbroertje uit de achttiende eeuw – die onlangs een kind verwekte, bijgevolg zijn biologische plichten heeft vervuld en dus klaar is om te doen wat al zijn voorvaderen voor hem hebben gedaan: jong de pijp uitgaan. Als een drugsverslaafde soapster in constante geldnood is hij goed op weg dat lot waar te maken, maar dat is deze keer buiten Mathieu gerekend, die vast besloten is de koers van de geschiedenis te veranderen.

Wat de The Thief of Time’s grootste sterkte had kunnen zijn, is net de grootste valkuil geworden: de enorme tijdsspanne. Boyne lijkt een grote, historische roman te ambiëren waarbinnen de lezer via zijn hoofdpersonage de geschiedenis kan verkennen, maar dat had dan waarschijnlijk ook een vuistdikke roman verondersteld, in plaats van de 461 bladzijden die het boek nu telt. Bovendien wordt zowat de helft daarvan in beslag genomen door het hoofdverhaal dat zich in 1999 afspeelt en nog dunner is dan het hoofdhaar van Mathieu Zéla op zijn gezegende leeftijd mogelijkerwijs kan zijn. Op die manier omzeilt de auteur allerlei uiterst interessante vragen die een man van 257 jaar zou kunnen beantwoorden. Wat zijn de grote lijnen van de geschiedenis? Hoe verandert de maatschappij? Hoe is het om de vrouw waarmee je getrouwd bent oud te zien worden, terwijl jij altijd jong blijft? Hoe is het om je kinderen steeds te zien sterven en relaties aan te gaan met hun kinderen?

Wat overblijft is een nogal fragmentarische roman die zelden echte diepgang vertoont. Toch is er één element dat de roman nog steeds genietbaar maakt: Mathieu Zéla, Boyne’s onwaarschijnlijke hoofdpersonage, die zich tot een aimabele en oprechte verteller ontpopt en zijn relaas met een ontzettende vlotheid en souplesse ontrolt. Hij zorgt er als het ware voor dat wat een ineengestuikte historische roman had kunnen zijn zich nog steeds als een fraai, fantasierijk verhaal zonder al te veel besognes kan presenteren – en laten we eerlijk zijn, is dat niet precies wat we af en toe willen in deze druilerige herfstdagen?

Written by